Een leerling had bij de ontleding van de zin "ik was erg verbaasd" gezegd dat het naamwoordelijk gezegde was, en dat was fout gerekend. Gemor in de wandelgangen, discussie in de klaslokalen! Hoezo was dat fout? Was verbaasd dan geen bijvoeglijk naamwoord? Nee, zei de docent, verbaasd is een werkwoord, en dus is het een werkwoordelijk gezegde met was als hulpwerkwoord.
Andere docenten gingen zich ermee bemoeien, andere talen werden erbij gehaald. Zelfs de wiskundedocent deed een duit in het zakje. Onrust in de lerarenkamer!
In de discussie op de bewuste school werd op verschillende manieren geargumenteerd (verbaasd is een werkwoord, in andere talen staat in deze zin een bijvoeglijk naamwoord), maar al die redeneringen leiden af van waar het echt om gaat, en wat ik al in de log Wat is een naamwoordelijk gezegde? heb genoemd: is er sprake van zijn of doen? Als je erg verbaasd bent, ben je dan iets, of heeft iemand (of iets) jou iets gedaan? Alle andere redeneringen of ezelsbruggetjes, of proefjes, zijn allemaal ondergeschikt aan die vraag. Is het zijn of doen? Zo simpel is het.
Op dit punt aangekomen denk ik dat iedereen zou zeggen: als je verbaasd bent, dan ben je iets, dus naamwoordelijk. Dit is dan ook de beste ontleding. De leerling heeft gelijk. Maar lees nog even door, want het is de moeite waard om te begrijpen wat hier aan de hand is.
Lees meer »