Hoe kleiner chips en andere elektronische componenten gemaakt kunnen worden, hoe gebruiksvriendelijker onze apparaten, en hoe minder energie ze consumeren. De ontwikkelingen in de micro-elektronica waren dan ook in eerste instantie inspanningen om almaar kleiner te werken. Grenzen te verleggen, zelfs wanneer men dacht dat de bodem bereikt was.
Maar nu weten wetenschappers het niet zo goed meer. Ze hebben, volgens ingenieur Marc Heyns van het Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum (IMEC) in Leuven, de grenzen bereikt van wat het basismateriaal van de elektronica-industrie, silicium, aankan inzake efficiënt energieverbruik.
Follow up:
Ondanks het feit dat nanotechnologie al actief gebruikt wordt: de technologie die deeltjes en structuren kleiner dan 100 nanometer inzet. Een technologie die zelfs al in onze tandpasta zit, hoewel daar nooit veel aandacht aan besteed is: het is pas sinds kort dat nanotechnologie een marketinginstrument geworden is. Nu wordt er op IMEC gewerkt met siliciumdioxidelagen van 1 nanometer dikte.
Nanotechnologen als Heyns kijken ondertussen naar materialen zoals germanium, waar je snellere transistoren mee kunt maken op voorwaarde dat je het oppervlak van het materiaal zo kunt bewerken dat het gemakkelijk handelbaar wordt. Of zoals grafeen, dat als de toekomst van de nanotechnologie wordt gezien, en dat beschreven kan worden als één laagje van het grafiet waaruit potlood bestaat.
Maar het onderzoek daarvan zit momenteel nog in de fase van de low-tech. Het materiaal is nog veel te onvoorspelbaar voor nuttig gebruik.
Volgens Heyns zijn er geen gevaren verbonden aan het gebruik van nanodeeltjes en structuren, tenzij eventueel tijdens het productieproces, maar daar worden dan ook strenge veiligheidsmaatregelen voorzien. Eenmaal de deeltjes vastzitten in een structuur, is het onmogelijk dat ze nog los komen. Het risico dat nanorobotjes in onze bloedstroom ooit zichzelf zullen vermenigvuldigen en de wereld overnemen, is volgens Heyns niet iets waar we de mensen al bang mee moeten maken.