Het spiltijdperk (of axiale periode) is de tijd van 800-200 v. Chr. waarin religieuze bewegingen als het Boedhhisme in India, het Taoisme in China, het Monotheisme in het Midden Oosten en het Griekse rationalisme in Europa opkwamen. Men begon te profiteren van overschot aan landbouw producten en er ontwikkelde zich een markteconomie. Zo ontstonden de eerste beschavingen, werden steden steeds machtiger en ontwikkelden complete reiken zich. Als gevolg van deze drastische veranderingen voldeden de oude heidense culten niet meer en trachtte men deze te hervormen. Kenmerkend voor de religies die toen opkwamen was dat ze zich gingen richten op een hoogste vorm van transcedentie of op één godheid.
Follow up:
Toen er zich in Arabie een markteconomie begon te ontwikkelen gebeurde hetzelfde. Zakenman Mohammed ibn Abdallah maakte zich ernstige zorgen of het feit dat door goedlopende handel enkele belangrijke stamwaarden van zijn stam, de Koeraisjiten, verloren waren gegaan. Het joden-, en christendom in het Perzische en Byzantijnse rijk waren veel verder ontwikkeld dan de Arabische tradities en dat zorgde voor spirituele onrust. De neiging om net als de joden en christenen één God te eren groeide en daarbij heerste er grote onvrede over de ongelijkheid binnen de nieuwe beschaving. Sommigen begonnen te geloven dan hun voornaamste godheid, Allah, dezelfde godheid was die de joden en christenen vereerden. Zij zelf maakten echter geen deel uit van een goddelijk plan, hen was immers geen eigen profeet en heilige schrift gezonden.
In de nacht van de 17e ramadan van het jaar 610 kreeg Mohammed, die zich elk jaar rond dezelfde tijd terug trok in een grot op de top van de berg Hira om te bidden en te vasten zijn eerste openbaring van de Koran. De eerste twee jaar na deze eerste openbaring (er volgden er nog meer) nam hij alleen zijn vrouw Chadidja en haar neef Waraka ibn Nawfal, een christen, in vertrouwen. Pas na deze twee jaar begon hij te prediken.
De inspanning (jihad) om je te onderwerpen en te leven naar God's wil werd de hoofdzaak van de islam (dat overgave betekent). De tekenen van deze overgave werden het 3 maal daagse rituele gebed (Salat), het geven van aalmoezen (Zahat) en het vasten uit solidariteit met de armen (Ramadan).
Het was niet de bedoeling van Mohammed een nieuwe religie te stichten. Hij wilde de Arabieren het oergeloof, het geloof in de Ene God brengen. In het verleden was dit oergeloof gepredikt aan de hele mensheid, via o.a Abraham, Mozes, David, Salomo en Jezus. Nu kwam het ten slotte tot de Arabieren. Net als de profeten en hervormers uit het spiltijdperk borduurde men voort op oude heidense riten. Zo bleven Moslims rituelen uitvoeren bij de Ka'ba, in Mekka. Dit was een heiligdom dat officieel gewijd was aan de Nabatese god Hoebal, maar het lijkt er op dat het ten tijde van Mohammed werd vereerd als heiligdom van de hoogste God, Allah. Opvallend is dat Mohammed in het begin de Salat gebeden liet uitvoeren met het gezicht naar Jeruzalem. Wellicht gaf dit uitdrukking aan het verlangen de Arabieren binnen te leiden in de monotheistische familie.